Het “planmatige S.S.-erschap van L.”

Lucebert is niet een van de meest toegankelijke dichters uit de Nederlandse literatuur, maar is wel verantwoordelijk voor een van de bekendste en meest aansprekende dichtregels uit de Nederlandse literatuur: ‘Alles van waarde is weerloos’. Naast dichter was Lucebert, ook wel de Keizer der Vijftigers genoemd, een succesvol beeldend kunstenaar.

Als ik bij De Slegte in Rotterdam een fraai vormgeven boekje over Lucebert vind, is mijn belangstelling gewekt. Het is een uitgave over de totstandkoming van een groot keramisch kunstwerk voor het Rode Kruis Ziekenhuis in Beverwijk. Het ontwerp maakte Lucebert vóór zijn overlijden op 10 mei 1994 en het object is na zijn dood door zijn vaste medewerkers voltooid. Een jaar later volgde de onthulling van het kunstwerk door zijn weduwe Tony Koek.

Maar daar gaat het hier eigenlijk niet om. Veel interessanter is wat ik in het boekje aantref. Behalve een brochure van een tentoonstelling van Jan Elberg – net als Lucebert dichter en beeldend kunstenaar – vind ik in het boekje een brief van Aldert Walrecht. De aanhef luidt: ‘Beste Ton’.

De brief heeft betrekking op de dubieuze rol die Lucebert zou hebben gespeeld tijdens de Tweede Wereldoorlog. Nu is al sinds de biografie van Wim Hazeu uit begin 2018 bekend dat het oorlogsverleden van Lucebert niet bepaald brandschoon was, maar deze brief is gedateerd 27 mei 1995. Lucebert was toen net een jaar daarvoor overleden.

Aldert Walrecht is een Nederlandse letterkundige, maar vooral een vriend en bewonderaar van Lucebert. Hij stuurde het boekje naar Ton als ‘handvat […] voor een kleine rechtzetting inzake het “planmatige S.S.-erschap” van L.’ Deze zin verwijst naar het verhaal dat Adriaan Venema een paar jaar eerder publiceerde. Hans Andreus, een jeugdvriend van Lucebert, had hem vele jaren eerder in vertrouwen verteld hoe hij en Lucebert het plan hadden opgevat zich aan te melden voor het Vrijwilligerslegioen Nederland, een onderdeel van de Waffen-SS. Ze gingen samen naar het aanmeldingskantoor, maar terwijl Andreus de papieren invulde, verliet Lucebert het gebouw. Dit verhaal heeft Lucebert altijd stellig ontkend.

De gevonden brief lijkt een vervolg op een gesprek van Walrecht met ene Ton B. Misschien heeft deze Ton iets willen publiceren over de kwestie? Ik weet niet zeker wie Ton B. is, maar het zou de journalist Ton Bogaard kunnen zijn, een medewerker van het Eindhovens Dagblad die regelmatig over literatuur, romans en poëzie schreef. Walrecht doet in ieder geval z’n best om hem daarvan te weerhouden. Hij is duidelijk bang dat er iets van het negatieve beeld over Lucebert, dat volgens hem absoluut onwaar is, blijft hangen. Hij maakt het persoonlijk door Ton B. zelf als voorbeeld te gebruiken: ‘Ton B. is een sensatie-journalist, ook al ontkent hij dat.’

In z’n argumentatie om Ton te overtuigen van de onschuld van Lucebert laat hij eerst zijn weduwe Tony aan het woord. Volgens haar vond Lucebert het ‘te belachelijk om er een woord aan vuil te maken. Iedereen wist toch hoe hij (L.) altijd tegen het fascisme, de burgerlijkheid, het racisme enz.. gestreden heeft?’ Vervolgens verwijst Walrecht naar een passage uit het boekje van het Rode Kruis Ziekenhuis: ‘Uit zijn oeuvre spreekt opstandigheid en aversie tegen dogma’s en een strijdlust tegen alle mogelijke machtsinstellingen.’ Een dichter die bekend staat om dichtregels als ‘Alles van waarde is weerloos’ en ‘Overal zanikt bagger’ kan blijkbaar onmogelijk in staat zijn om foute levenskeuzes te maken. Walrecht besluit z’n pleidooi met een verwijzing naar het gedicht ‘verdediging van de vijftigers’, om te besluiten met ‘…En dan, godverdomme, geen genade’.

Eerlijk gezegd vind ik het weinig sterke argumenten. De ontkenning van Lucebert zelf en een paar citaten uit bestaand werk overtuigen mij in ieder geval niet. Maar blijkbaar was het voldoende voor Ton B. en heeft hij het daarbij gelaten. Ik kan in ieder geval geen publicaties uit die periode erover terugvinden.

Maar wat als Ton B. meer in het verleden van Lucebert was gedoken? Had hij dan meer kunnen ontdekken, waren er meer aanwijzingen? Ik denk het wel. Zelfs in 1995, meer dan 20 jaar vóór de onthullingen in de biografie over Lucebert, is er al reden voor argwaan.

Behalve de eerdergenoemde publicatie van Adriaan Venema zijn er nog meer aanwijzingen. In de sleutelroman Een zachte vernieling beschreef Hugo Claus al in 1988 hoe het personage Hoorne – waarin kenners duidelijk Lucebert herkenden – op het punt stond zich bij de SS aan te melden. Claus zou zijn informatie hebben gekregen van Simon Vinkenoog. Een ander die meer moet hebben geweten, was Hans Warren. Nadat Lucebert in een interview een paar nare opmerkingen over hem had gemaakt, schreef hij in 1983 al in zijn dagboek: ‘Zoiets kun je verwachten van iemand die zelf allesbehalve een smetteloos verleden heeft.’ Verder vertelde Anja de Feijter, die promoveerde op het werk van Lucebert, dat er geruchten waren over zijn oorlogsverleden. ‘Direct na zijn dood zijn er geluiden geweest die hiermee te maken hadden,’ maar daar werd niet veel mee gedaan, want ‘er was weinig bekend over zijn leven tijdens de oorlog.’ Het is de vraag of ze het, net als in het geval van Walrecht, wel wílde weten.

Want als ze zich daar beter in had verdiept, had ze waarschijnlijk wel meer te weten kunnen komen. Lucebert had tijdens de oorlogsjaren zeker twee vrienden waarvan bekend was dat ze een zeer bewuste keuze hebben gemaakt: Hans Andreus en Wim Kraaijkamp. De eerste meldde zich dus aan bij de SS en ging naar het oostfront. De tweede, de oudere broer van John Kraaijkamp, meldde zich begin 1943 vrijwillig bij de Arbeitseinsatz om in Duitsland te gaan werken. Hij vertelde later hoe ze met z’n drieën een propagandabijeenkomst van het Nationaalsocialistische Studentenfront hadden bezocht, waar ze zeer onder de indruk raakten van de mooie verhalen over het ‘nieuwe Europa’. Dit verhaal uit de biografie over Hans Andreus werd door Lucebert nadrukkelijk tegengesproken. Het valt Jan van de Vegt, de schrijver van de biografie, overigens op dat Lucebert zich meer gebeurtenissen uit deze jaren niet kon herinneren. Ook in de vele interviews die Lucebert in de loop der jaren zijn gepubliceerd, wist hij behendig om de vragen over de oorlogsperiode heen te praten.

In dat perspectief is de reactie van Lucebert op de publicatie over experimentele poëzie van de Vijftigers door Bertus Aafjes in 1953 in Elseviers Weekblad wel te begrijpen. Aafjes viel Lucebert hard aan met uitspraken zoals: ‘Lees ik Lucebert’s poëzie, dan heb ik het gevoel dat de S.S. de poëzie is binnen gemarcheerd.’ Verder heeft Aafjes het over ‘een dwangmatig Sieg Heil van woorden als oe, a, oer, ei, urinoir’. De reactie van Lucebert in de ‘Open brief aan Bertus Aafjes’ in de Groene Amsterdammer heeft velen verbaasd. Menigeen stond versteld over zijn gebrek aan relativeringsvermogen en zelfkritiek. Er was bij Lucebert duidelijk een gevoelige snaar geraakt, al was toen nog niet voor iedereen duidelijk welke.


Boekgegevens

Lucebert

Rode Kruis Ziekenhuis, Beverwijk

gekocht bij: De Slegte, Rotterdam